Spiegel bij nacht

 

Met nevels omhangen zonder zicht,

met niets om handen doods en dicht

voedt ze zich met beelden van weleer.

 

Jagend over barre grond bloest,

eenmaal met de kop in aas, haar gierenkraag

en gaat ze op hinkepoten rond.

 

Gevangen is ze in de ommegang van zon en maan.

Het zweven heersend in een ander rijk

vegeteert ze tot de zon weer aan de hemel prijkt.

 

Een ieder die 's nachts in haar ziet,

leeft uit een valies van verlies

en elk uitleggen der kleren maakt de kleuren doffer.

 

Slechts een minnend paar

wordt door haar donkerte welwillend bijgelicht,

want in haar waag

 

in liefde voor elkaar beschut

brengen zij de dag terug op haar aangezicht,

varend in haar weer een weidse vlucht.